Ode aan Jos Struelens


Geheel met de dag
Geheel als citrien
Geheel als de zon
Verscheen u op de overloop van laat augustus
Zoals alleen een wijze bron
In schijnen van pyriet kon voldoen


Zoals het goud in fluitenkruid stond
Vergat ik wat begon als pijn
Als het donkere lied dat namen gaf
Aan wat verdriet niet stelpen kon


Zo dacht ik mij vast
Aan de scherpsappen van bereklauw
Aan de stekels van kale jonkers
Die hun paarse bloemen
Naar traag bevattingsvermogen
Naar een maan deden groeien
Die bleek stond als krijt
In een schaal van diamant


Maar u kende de sterren
Hun banen en hun reizen
Hun reilen en zeilen
U wist wat gedachte behoorde te zijn
Het vatten van niet gezegde woorden


U kon uw oor te luisteren leggen
Aan de metaalsmaak van het wanhopige grijpen
Naar de bemoste twijgen
Die boven de poelen van dit lijden
Als ribfluweel uit klamme armen ging glijden


Wat toen gebeurde zal niemand begrijpen
Behalve ik


Wie anders zou het ooit vergeten
Dat in de kuilen van uw handpalmen
De meidoorn bloesemde
Die door mijn huid ging huilen


Zoals dauw die ontwaakt
Op zegge en gras
Met hoop op broze genezing
Zoals het eenmaal was in de bermen
Op de oevers van herinnering


Ik wist niet wat te schrijven
Ik viel in weinige zinnen
Om te kunnen bewijzen
Wat in uw mijmerende beddingen lag opgeslagen


Geen toestand van mij was te benijden
Geen twijfelen
Geen ijlen


Men zei mij


Alleen de wijze treedt in het licht
Die in het zenit van verheven wit
De melk uit anemonen drinkt
Die u mij hebt gewezen in het woud


Ravijnen zijn maar schemeringen
Zogenaamde verloren tijden


Dat is maar een van de genoemde gebieden
Slechts een van de zovele zinnen die ik van u leerde


Heler meester tovenaar
Kijk mij aan
Ik kan spreken


Hier sta ik dan te bloeien
In kamperfoelies weergekeerd


Van essenhout uiteindelijk
Tot Askr werd ik geboren


U hebt me voorgoed met het water van uw blauwkwarts bekeken
Tot u zag dat het goed was